Spring naar inhoud

Woordenschat mbo, hoe doe je dat?

juni 9, 2019

Woordenschat mbo, hoe doe je dat?

Voor mbo-studenten is woordenschat belangrijk. Ze leren voor een beroep, waarin nieuwe termen en uitdrukkingen worden gebruikt of standaardzinnen. Ze gaan deze woorden gebruiken op plaatsen met verschillende bedrijfsculturen. Hebben klantcontact met personen met diverse klantprofielen. Wat zeg je tegen wie en wanneer? Of de studenten willen naar het hbo, waar veel abstracte termen als bekend worden verondersteld. Sommigen beheersen nog niet eens de basislijst schooltaalwoorden vmbo (ITTA/UvA, 2016) die bij aanvang van de opleiding verwacht wordt.

Kortom, voldoende aanleiding om aandacht te geven aan woordenschat. Maar hoe doe je dat? Een voorbeeld uit een willekeurige methode: online kan de student zelfstandig oefenen met woordenschat, moeilijke woorden. Hij logt in en krijgt woorden als postuum en opportuun en mag vervolgens kiezen uit vier opties. Is dit de manier om woordenschat te vergroten? Wat is er over het aanleren van woordenschat bekend?

Beroepstaal

Waar veel kennis ontwikkeld is over het aanleren van woordenschat, is in het NT2-onderwijs. Beroepstaal is voor mbo-studenten als Nederlands voor NT2-studenten: een nieuwe taal. Beroepstaal is meer dan het aanleren van formeel taalgebruik, want het vakjargon heeft veel onbekende woorden en andere pragmatiek. Het gaat hier ook niet om van-DAT-naar-CAT, van dagelijks concreet naar abstract taalgebruik. Een mbo-er leert juist vaak over hele concrete dingen: producten en handelingen die hij gaat uitvoeren (werkwoorden). Een kok in-spe leert het verschil tussen blancheren en trancheren. Een leerling in de bakkerswinkel leert bestellingen te noteren: geen aardbeienbouvier, maar een aardbeienbavarois!

Voor het aanleren van woordenschat worden de volgende stappen doorlopen (naar: Van de Laarschot, 2009):

  • Activeren van voorkennis in groepsverband (samen weet je meer, voorbeelden uit de praktijk laten benoemen);
  • Visualiseren van het woord en de context ervan (filmpje/ afbeelding);
  • De betekenis van het woord herleiden uit de context, vergelijkbare termen, uit de rest van de tekst;
  • Verbinding leggen tussen onbekende woorden en woorden die al wel bekend zijn (woordenwolk maken);
  • Het hardop uitspreken en opschrijven van de nieuwe woorden (klank-letterkoppeling) en de betekenis in een schrift of persoonlijk woordenboek, die ze ook elders kunnen raadplegen;
  • Het laten opschrijven van veelvoorkomende combinaties van zelfstandig naamwoorden en werkwoorden, die ze in hun beroep vaak tegenkomen (bijv. facturen inboeken).
  • Het (samen) bedenken van een zin, om bewust te worden waar de plaats van het woord in de zin is (woordsoort, lidwoord en syntaxis).

NB. Voor het onthouden en goed kunnen toepassen van een nieuw woord geldt de 3x/7x regel: je moet een woord drie keer aangeboden krijgen en zeven keer toepassen. Het is daarom aan te bevelen om alleen hoogfrequente woorden te oefenen, of die laagfrequente woorden die de student op zijn werkplek echt moet kennen en kunnen schrijven.

Alles welbeschouwd lijkt de online woordenschatoefening uit de methode meer een activering van al eerder geleerde termen dan het aanleren van nieuwe. Het moeilijke woord wordt aangeboden zonder klank, zonder zinsverband, wordt niet opgeschreven, noch toegepast: daarmee gaat een moeilijk woord niet beklijven. Wat zou dan wel een effectieve strategie kunnen zijn?

Woorden maken het verschil

Onlangs heeft Jos Cöp op de website Leertijd.nl een mooi en gratis online instrument beschikbaar gesteld om woordenschat te oefenen in de klas: woorden maken het verschil. Als docent wordt je geholpen om een keuze in de woorden te maken (algemeen, schooltaal of vaktaal). Voor mbo-ers is het beheersen van vaktaal een must. In overleg met de vakdocenten of werkgevers kun je inventariseren welke hoofdstukken van de theorieboeken/ taalpraktijkopdrachten in een periode aan de orde komen. Zo kun je zelf woordenlijsten aanleggen van hoogfrequente zelfstandige naamwoorden, werkwoorden, vaste uitdrukkingen en moeilijke woorden die bekend worden verondersteld. Hoe je deze kunt leren spellen, daarvoor kun je meerdere spellingstrategieën gebruiken: analogie (lijkt het op een woord dat je al kent) of wat de laatste betreft woordbeeld: gewoon uit je hoofd leren (naar: Henk Huizenga, 2015).

Dictee

De edugraphic Woorden maken het verschil is handig bij de eerste stappen. Echter, daarmee kom je nog niet tot de 7 x herhalen voor het inslijpen. Wat de beste manier is voor het aanleren voor spelling is het maken van een dictee. Hierbij moet de student namelijk zelf nadenken over de klank-letterkoppeling. Dit blijkt de beste manier om een woord goed te onthouden. Bij voorkeur een zinnendictee, om het woord in de context met bijbehorende werkwoorden te oefenen. Een dictee, is dat niet te kinderachtig, hoor ik je denken? In mijn niveau 2-klassen vinden ze het heel leuk: het is concreet, kort, het wordt lekker rustig in de klas. “Vandaag weer dictee, mevrouw?”. Afsluitend wisselen ze hun dicteewoorden met de buurman. Met de correcte schrijfwijze op het bord beoordelen ze elkaar. Ik geef een prijs aan de winnaar over een periode. Bij de studenten die al op stage zijn geweest, vraag ik welke handeling/ activiteit ze het vaakst doen. Ze hebben allemaal een eigen werkwoord, die ik ook gebruik bij werkwoordspelling en in de dictees. Een format voor een woordenschatschrift vind je op de site https://www.campagneleersucces.nl/producten/werken-aan-woordenschat-24.

Zeven keer toepassen

Ik hanteer een vast patroon van eerst klassikaal nieuwe woorden inoefenen, een woordenschatoefening maken (Zoek: betekenis, antoniem, synoniem, homoniem, maak een zin, verzin een situatie waar je het woord gebruikt, maak een woordenwolk), de week daarop het dictee en een andere les bijv. een mentimeter voor herhaling. Tenslotte een schrijfoefening of vrije opdracht met tien woorden. Bijvoorbeeld een zakelijke e-mail aan een klant, waarin ze tien van de geleerde woorden passend gebruiken. Steekproefsgewijs kun je bij opdrachten voor de beroepsvakken ze ook op taal beoordelen, om te borgen dat er een transfer plaatsvindt van jouw klas naar de praktijk.

Vakliteratuur

Een artikel uit vakliteratuur laten lezen is ook een optie. Laat voor informatievaardigheden zien waar je het artikel vindt, waar het over gaat en wat je eraan kunt hebben. Laat de studenten het artikel opzoeken. Laat de studenten het artikel hardop lezen en de woorden onderstrepen die ze niet kennen. Laat ze samen een woordenwolk maken over de betekenis, het gebruik en de context (situaties benoemen). Maak later van dit artikel een gatentekst, zodat ze zelf de ontbrekende woorden invullen. Schrijven heeft de voorkeur, dat slaat beter op in het brein, omdat je nadenkt over de vorm van de letters, wat het kunnen oproepen van het woordbeeld versterkt.

Woordenschat bij schrijfonderwijs

Nog een tip: in methodes Nederlands wordt bij corresponderen en schrijven aangeleerd hoe je bijv. een zakelijke brief schrijft, of een advertentie. Wat er wordt overgeslagen is de woordenschat die nodig is om de brief mee te kunnen schrijven. Het kunnen variëren in woordkeus is iets wat studenten lastig vinden, omdat ze de woorden niet weten. Verzamel voorbeelden van veelgebruikte soorten teksten uit je branche of -indien afwezig- bij thema’s van burgerschap. Laat ze de woorden die ze niet kennen of mooi vinden klinken ook opschrijven in een schrift en oefen ze in als hierboven. (Naar: ABCD-model van Neuner, uit Van de Laarschot, 2009).

hbo-taal

Naar welke taal voor mbo-ers effectief is om goed door te kunnen stromen naar het hbo, wordt op dit moment onderzoek gedaan, door Wilma van der Westen (UvA). Zij heeft meerdere publicaties geschreven, over gestelde eisen aan startende hbo-ers en doorlopende leerlijnen mbo-hbo. Een andere bron met verzamelde informatie: https://wij-leren.nl/taal-doorstroom-mbo-ho.php. Ook hier gelden de bovengenoemde stappen voor het aanleren van woordenschat: biedt ze aan met context, met beeld en klank, verbindt ze met eigen ervaringen, laat ze opschrijven: alleen met 3x receptie en 7x productie snijden woordenschatoefeningen hout.

Bronnen:

Cöp, J. (2019), Woorden maken het verschil, edugraphic op: http://www.leertijd.nl/2019/05/nieuwe-bundel-met-edugraphics-over-goed.html.

Huizenga, H. (2015), Taal & Didactiek Spelling, Groningen: Noordhoff Uitgevers, 5e druk.

ITTA/UvA (2016), Basislijst schooltaalwoorden vmbo op: https://www.itta.uva.nl/publicaties/handleiding-basislijst-schooltaalwoorden-vmbo-72

Laarschot, M. van de (2009), Lesgeven in meertalige klassen, handboek voor Nederlands als tweede taal in het voortgezet onderwijs, Groningen/Houten: Wolters-Noordhoff, eerste druk.

Vries, de en Westen, W. van der (2008), Taalbeleid hoger onderwijs op: https://www.taalbeleidhogeronderwijs.org/wp-content/uploads/2009/01/De-Vries-Van-der-Westen-Talige-startcompetenties-in-het-hoger-onderwijs-HSN-2008.pdf

Advertenties

Nederlands integreren in beroepsonderwijs

mei 13, 2019

profielplaatje2Deze week verscheen in Profielactueel.nl het artikel van Erica Aalsma (De Leermeesters) en mij: ‘Het hart van het vak Nederlands klopt in de beroepspraktijk’. “Wij denken dat we taalontwikkeling in het mbo over een andere boeg moeten gooien om het uit de schoolse, voor studenten weinig motiverende structuur te halen. Ons uitgangspunt daarbij is: de taal van het beroep (vaktaal) is nodig om het beroep te kunnen leren; taalonderwijs wordt interessanter en nuttiger voor de studenten als dit wordt toegepast in de context van het beroep.”( Lilian Boonstra en Erica Aalsma, Profielactueel.nl 2019 #5, p. 6).

Aanvullend op dit artikel voorbeelden van de manier waarop je Nederlands in het beroepsonderwijs kunt integreren.

Vormen van taalonderwijs in het mbo

Voor het geven van Nederlands in het mbo bestaan voor alle opleidingen de kaders van de exameneisen, de kwalificatiedossiers en de referentieniveaus. Op het niveau van het ROC gelden afspraken over het inkopen van methodes en examens, opleidingsoverstijgend. Steeds vaker zijn er opleidingen die van mening zijn dat het leren van vaktaal een voorwaarde is om het beroep uit te kunnen oefenen en vinden manieren om taalonderwijs (en ook andere generieke vakken) geïntegreerd aan te bieden met de beroepsvakken. Er is beweging, want urgentie: ook de beroepsdocenten, de werkgevers en de studenten zelf hebben er vaak last van dat de studenten slecht begrijpend lezen en samenvatten, zelden aantekeningen maken en niet vanzelfsprekend een goede zakelijke e-mail aan een klant of een verslag te kunnen schrijven.

Vier fasen van geïntegreerd vakonderwijs

  • Fase 1. Nederlands generiek
  • Fase 2. Beroepsgericht taalonderwijs
  • Fase 3. Geïntegreerd vakoverschrijdend beroepsonderwijs
  • Fase 4. Hybride leeromgeving

Binnen genoemde kaders mogen opleidingen zelf bepalen op welke manier ze Nederlands verzorgen en formatief toetsen. Dit maakt dat een docent Nederlands bij de ene opleiding een methode volgt en ieder kwartaal een ander domein onderwijst en toetst: lezen, luisteren, schrijven, spreken, gesprekken voeren en gedurende het jaar aandacht besteedt aan spelling, grammatica en taalverzorging (fase 1).

Er zijn echter ook opleidingen die er voor kiezen om opdrachten/ situaties in de echte praktijk leidend te laten zijn voor het onderwijzen van beroepskennis en taal. Gaandeweg verzamelt de student bewijsmateriaal in zijn of haar portfolio om aan te tonen dat hij ook Nederlands beheerst en in de praktijk effectief kan gebruiken. In de eerste situatie is Nederlands een generiek en algemeen vak. In de tweede situatie is taal een instrument om professioneel te werken in een hybride leeromgeving (bijv. leerafdeling/ leerbedrijf) (fase 4). Het eerste voorbeeld kom je het meeste tegen, het laatste voorbeeld nog het minst.

Opleidingen die bezig zijn met vakoverstijgend geïntegreerd beroepsonderwijs (fase 3) kiezen voor één invalshoek, om het onderwijs geïntegreerd te kunnen organiseren. Het onderwijs wordt verzorgd rond thema’s, bijvoorbeeld rollen of klantprofielen of typen werkgever, locaties of skills (zie afbeelding).

Op het moment dat de beroepsdocenten nog niet toe zijn aan zo’n geïntegreerde samenwerking, zou je deze insteek ook voor je beroepsgerichte taallessen kunnen gebruiken (fase 2). Ga op zoek: wat voor soort taalactiviteiten voeren de studenten uit tijdens de opleiding, in hun stage of in hun eerste jaar werken na de studie? Dit verschilt natuurlijk per opleiding: een kapper voert veel gesprekken; een medewerker administratie krijgt wellicht veel zakelijke e-mails binnen of te versturen. Vervolgens kun je samen met de ouderejaars studenten bepalen op basis van hun stage-ervaringen welke indeling in thema’s voor hen het meest herkenbaar en werkbaar is.

Werken met thema’s

Tussen fase 1 en fase 4 heb ik de afgelopen vier jaren, waarin ik me verdiept heb in Nederlands in hybride leeromgevingen en aanverwanten, verspreid door het land en op verschillende ROC’s meerdere variaties gezien.

De Taalstraat in mijn vorig blog is kan ingezet worden voor fase 2, 3 en 4. De Taalstraat is een organisatorische aanpak voor het werken met niveaugroepen, voor uitdaging op eigen niveau, voor versnelling en meer aandacht voor vaktaal. Het werken met thema’s, zoals hierboven geschetst, geeft richting voor het aanbieden van beroepsgerichte inhoud, in betekenisvolle – want in de praktijk herkenbare – samenhang.

Of je nu voor fase 2, 3 of 4 kiest: inventariseer samen met de beroepsdocenten, werkgevers en/ of studenten welke thema’s in het beroep voor de student in de praktijk belangrijk zijn.

Stille beroepen

Niet elke opleiding leent zich voor elke fase van taalgeïntegreerd beroepsonderwijs. Er zijn namelijk ook opleidingen, zoals automonteur, waar zelden contact met klanten plaatsvindt, mondeling, noch schriftelijk. Dan is het alternatief om taal te verbinden met de verschillende thema’s in het vak Burgerschap. Het integreren van Nederlands en Burgerschap is een andere veel geziene vorm van praktijkgericht onderwijs, waarbij de transfer van de echte wereld naar de lessen Nederlands plaats kan vinden. Dan gaat het niet zozeer om samen werken, maar om samen leven.

Lilian Boonstra, mei 2019

Mei 2019

De Taalstraat MBO

maart 22, 2019

Hoe leert een student in het mbo Nederlands op zo’n manier dat het aansluit bij zijn/ haar niveau, behoefte en ambities? Hoe kunnen lessen Nederlands betekenisvoller worden, door aan te sluiten bij wat een student in zijn latere beroep of studie aan taalbeheersing nodig heeft? 

Het afgelopen jaar heb ik bij ROC van Twente, als docent Nederlands op mbo2 en mbo4-niveau bij de Financiële Opleidingen, de ruimte en mogelijkheid gehad om De Taalstraat verder uit te werken. Er zijn andere plekken in het land waar op een vergelijkbare manier wordt gewerkt. Ik wil graag collega’s inspireren dat en hoe het anders kan.

Extern differentiëren 

Welke docent herkent het niet: je bent in de klas vaak meer bezig als politie-agent om de orde te houden dan met de inhoud van de les. Een deel van de studenten verveelt zich; zij weten het en kunnen het al lang. Voor een ander is de stof ingewikkeld en gaat het te snel, wat ten koste gaat van de aandacht van de groep die daartussen zit.

Bij de Taalstraat worden de studenten na een instaptoets ingedeeld in niveaugroepen. Wie na de AMN-toets bij de intake en de taaltoets in de introductieweek al blijkt ruim 2F te beheersen, mag na zes weken zelfstandig examens voorbereiden deelnemen aan de examens Nederlands. Dit is mogelijk, wanneer de nieuwe regels voor examinering inderdaad in de wet zijn geregeld per 1 augustus 2019, zoals het nu de bedoeling is. Versnellers worden beloond, ze krijgen een vrijstelling of mogen alvast op een hoger niveau (3F) lessen volgen. Wie 3F heeft behaald, mag in de klas HBO-Nederlands, waar veel vakliteratuur wordt gelezen, met aandacht voor woordenschat, samenvatten, synthese van teksten, aantekeningen maken, presenteren en rapporten schrijven.

Kiezen voor workshops

De NT2-groep heeft ‘onderdompelingslessen’ in de vaktaal en neemt daarnaast ook deel aan de reguliere workshops. Deze workshops kunnen het bestaande programma Nederlands zijn, nu opgedeeld in periodes van vijf weken in plaats van tien. De student hoeft alleen die workshops te volgen waarvan is gebleken dat hij nog niet op niveau zit. Voor de andere onderdelen kan de student alvast de examentraining doen, offline of online. Iedere workshop wordt twee keer per jaar aangeboden. Als de student alle studiepunten en de examentraining in een half jaar haalt, kan hij na dat half jaar deelnemen aan het Examen Nederlands. Daarna kan hij kiezen voor een vrijstelling Nederlands of voor een vervolg 3F, met een examen. De keuzes maken de student meer eigenaar van zijn eigen leerproces.

Taalmaatje

De versnellers kunnen studiepunten halen als Taalmaatje, waarbij ze bij alle lessen van de opleiding de studenten uit de NT2-groep extra ondersteunen, bijv. in het verbeteren van woorden, of extra uitleggen van begrippen en situaties.

  • Voordeel voor studenten: je leert het meest als het lesaanbod aansluit op de zone van naaste ontwikkeling en je het geleerde kunt toepassen in de beroepspraktijk, zodat deze inslijt. (NB. 3x Receptie en 7x productie is een minimale voorwaarde voor het beheersen van taal.)
  • Voordeel voor docenten: meer maatwerk leveren, hogere motivatie van studenten en aandacht voor vakjargon, bedrijfsculturen en een transfer naar taal in het beroepenveld.

Transfer van lessen Nederlands naar beroepsvakken

De inhoud van de beroepsvakken en de beheersing van de vaktaal en het vakjargon is een leidend principe voor de Taalstraat. Bij mijn collega’s beroepsdocenten van de opleiding Financiële Beroepen heb ik een online enquête uitgezet over huidige en gewenste taalvaardigheden. Wat hebben de studenten nodig/ ter beschikking om de beroepslessen en stageopdrachten goed uit te kunnen voeren?

De respons van de collega’s was hoog: ze hebben er last van dat de studenten slecht begrijpend lezen, over weinig woordenschat beschikken en dat de studenten zich schriftelijk weinig formeel en slordig uitdrukken. Begrijpend lezen van de opdrachten kost veel moeite en ook ontbreekt er woordenschat om zelfstandig informatie te kunnen vinden. Er zijn wel woordenlijsten in de methodes, maar het aanbieden van woorden is nog geen garantie dat de termen en teksten worden begrepen en correct toegepast.

Ook op de stageplekken zijn de opdrachtgevers ontevreden over de gebezigde taal en het gebruik van taal in de professionele context. Door de enquête en de gesprekken daarover met de beroepsdocenten als vervolg, is geconstateerd dat de Taalstraat een oplossing kan zijn: de docenten vinden dat ze erg veel tijd kwijt zijn met het uitleggen van opdrachten, omdat de woordenschat en de leesvaardigheid van de studenten niet toereikend zijn. Deze inventarisatie en de gesprekken zijn belangrijk geweest voor draagvlak en om groen licht te krijgen voor dit project.

Taalgericht vakonderwijs?

Samen met de beroepsdocenten hebben we geïnventariseerd waar we Nederlands kunnen integreren met de beroepsvakken. Bij het beginnen van nieuwe hoofdstukken Economie en Bedrijfsadministratie wordt bij Nederlands geoefend met de begrippen, om ze op alle taalniveaus bekend te laten worden en in meerdere lessen in te laten slijten (fonologie, morfologie, spelling, syntaxis, betekenis en context). Dit zie ik als een taak van de vakdocent Nederlands.

Wat in de literatuur het uitgangspunt van taalgericht vakonderwijs, dat beroepsdocenten meer aandacht aan taal zouden moeten besteden, daarin geloof ik persoonlijk niet. De literatuur over taalgericht vakonderwijs is een rijke bron voor in het beroepsonderwijs geïntegreerd taalonderwijs: de oefeningen en handvatten zijn zeer bruikbaar. Echter, taaldidactiek is een vak apart en de beroepsdocenten voelen zich zelf vaak handelingsverlegen wat het uitleggen over taal betreft. Ze zien het ook niet als hun taak of competentie om studenten op taal te beoordelen. In plaats veel tijd te besteden aan wat andere docenten eigenlijk niet willen doen, biedt De Taalstraat een efficiëntieslag. De taaldocent schuift als taalcoach aan bij de beroepslessen, beroepsopdrachten en zou zelfs op afstand nog kunnen coachen bij de stageplek. De Taalstraat is vakoverschrijdend: beroepsgericht taalonderwijs.

Geïntegreerd projectmatig onderwijs

Het onderwijs van de Financiële Opleidingen in Enschede krijgt per 1 augustus 2019 de vorm van geïntegreerd projectmatig onderwijs. De dagindeling bestaat uit de start met collegiale intervisie, dan instructies en werkcollege’s voor studenten in de ochtend en zelfstandig projectonderwijs in de middag, waar de docenten als coach en docenten Nederlands als Taalcoach aanwezig zijn, voor individuele vragen en begeleiding. Er wordt gewerkt met portfolio’s. Een hoofdstuk bedrijfseconomie kan bijvoorbeeld worden getoetst met het maken van een infographic. Bij Nederlands wordt in deze periode geleerd om infographics te lezen, te begrijpen en te beoordelen. In de lessen ict wordt geleerd infographics te maken. De beoordeling van deze gehele opdracht bestaat uit drie vinkjes, wanneer door alle drie de docenten het eindproduct als voldoende/ goed wordt beoordeeld.

Examens Nederlands

In de opleiding behalen de studenten de voorgeschreven examens Nederlands op 2F of 3F. Bij voorkeur binnen een half jaar. Van een goede taalbasis hebben ze de rest van de opleiding en stage profijt. Vervolgens laten zij ook bij verschillende opdrachten in het portfolio en de stage zien tijdens de rest van de opleiding dat zij Nederlands op een aantoonbaar gewenst niveau blijvend beheersen.

Lilian Boonstra

22 maart 2019

Wat hebben nieuwe MBO-docenten nog meer nodig om goed te starten?

november 3, 2017

Aanbevelingen voor de nieuwe MBO-docentenopleidingen

Deze maand heb ik mijn tweedegraadsdocentenopleiding Nederlands aan de HAN met goed gevolg afgerond. De vraag achter mijn afstudeerscriptie was: hoe word ik van een startbekwaam MBO-docent een vakbekwaam MBO-docent?  Op dit moment zijn er meerdere opleidingen bezig een nieuwe opleiding te maken voor mbo-docenten. De huidige docentenopleidingen blijken slecht aan te sluiten op het MBO, want ze zijn vooral gericht op het opleiden van docenten in het voortgezet onderwijs.

Theunissen & Poulussen (2017) pleiten in de canonberoepsonderwijs ervoor dat nieuwe mbo-docentenopleidingen zich richten op drie docentrollen van de mbo-docent: een pedagogisch-didactische, die van begeleider en van ontwikkelaar. Hierbij wil ik op basis van mijn afstudeeronderzoek de volgende aanbevelingen doen:

De pedagogisch-didactische rol splitsen
Ik stel een splitsing voor in twee rollen: afzonderlijk zijn de vraagstukken te groot om ze op een hoop te gooien. De concerns gaan didactisch over het aansluiten op vaak een zeer laag niveau Nederlands en over differentiëren. De verschillende soorten onderwijs (klassikaal-frontaal, individueel maatwerk, geïntegreerd of hybride onderwijs) vragen om kennis, creativiteit en flexibiliteit bij de docent.

Pedagogisch gezien is er meer bagage nodig voor het contact met de complexe doelgroep (probleemjongeren, NT2). Aanvulling @Ciscavanderspan: En de complexiteit van de doelgroep bestaat ook uit de grote diversiteit: jong, ouder, BOL of BBL en behoorlijk verschillende beginsituaties.

Rol assessor toevoegen
De mbo-docent is ook assessor, examinator. Aan deze rol worden landelijk eisen gesteld. Een training hiervoor is verplicht. Ook als startend docent ben je assessor van zittenblijvende laatstejaars. Aandacht hiervoor in de opleiding zou handig zijn.

Rol collega toevoegen
Naast een vakinhoudelijke taak heb je als mbo-docent ook teamtaken. Dat mag meer plaats krijgen in de opleiding van de mbo-docent: welke taken teams hebben, welke teamrollen er zijn, welke het best bij jou past, het belang van goed samenwerken en wat een professionele werkhouding inhoudt. Aanvulling @barthahuijberts: ontwikkeling competentie plannen en organiseren (zelf werkdruk voorkomen) en leren omgaan met mopperende collega’s.

Kennis van het beroep
Voor taalbewust vakonderwijs is het van belang om je te verdiepen in het beroep waar de mbo-studenten voor worden opgeleid, bijvoorbeeld in de richting zorg, techniek, dienstverlening of creatief. Deze exercitie zou tijdens de opleiding/ stage al wel eens geoefend kunnen worden.

Lilian Boonstra

November 2017

Bron: Theunissen, M. & Poulussen, M. (2017, maart). Mbo-docent, een vak apart. Geraadpleegd op 14 september 2017, van http://www.canonberoepsonderwijs.nl/2_1295_Professionalisering_docenten.aspx

Online lezen blijkt totaal iets anders dan offline lezen. (MBO-Taalconferentie september 2017)

september 28, 2017

Online lezen is totaal iets anders dan offline lezen. Dit was voor mij de grootste eye-opener van de MBO-Taalconferentie van de MBO-Taalacademie (ITTA), dat plaatsvond vrijdag 22 september 2017, in Amersfoort. Drie keer per jaar organiseert de MBO-Taalacademie een conferentie. Ook deze keer waren er weer interessante sprekers, met nieuwe wetenschappelijke inzichten en veel tips voor de praktijk. Een verslag.

Waarom is online lezen totaal iets anders dan offline lezen? Online teksten hebben vaak geen inleiding, kern en slot. De samenvatting van een tekst kan overal staan. In de tekst staan vaak hyperlinks. Online leesvaardigheid gaat om doelgericht lezen, weten op welke vraag je een antwoord zoekt, deze in deelvragen op te kunnen delen en te evalueren of je doel bereikt is. Wat ze leren uit de huidige boeken is niet wat de studenten nu nodig hebben en kunnen gebruiken, aldus Jeroen Clemens.

flyer
Flyer MBO-Taalacademie

“MBO Taaldocent, wees een amateur!” : de slotzin en het advies van de Vlaming Pedro de Bruyckere. Een amateur heeft niet alleen de betekenis van vrijwilliger, maar ook die van liefhebber. We staan als MBO-docenten voor de uitdaging om niet alleen aan te sluiten bij de online-ontwikkelingen in deze maatschappij, we hebben voor onze studenten de weg te bereiden. Dit vraagt om een ander repertoire op te bouwen: een andere inhoud en een andere aanpak. Dat doe je niet alleen met je hoofd, maar vooral met je hart.

Quotes

“Is niet alles wat na je geboorte heeft plaatsgevonden een nieuwe ontwikkeling? Dat kinderen van nu digital natives zijn, is een illusie.” Pedro de Bruyckere, OU.

“Studenten kunnen veel informatie vinden, maar nemen daar oppervlakkig kennis van. Deep learning vraagt om uit deze informatie een keuze te maken, te synthetiseren met andere informatie en effectief te delen. Daar zijn de studenten niet goed in en dat hebben wij ze te leren.” Jeroen Clemens, op basis van publicatie Paul Kirschner.

“Hoe studenten voor te bereiden op beroepen die er nu nog niet zijn? Leid ze niet op voor een beroep, maar voor werk. Met meer aandacht voor generieke vaardigheden, waaronder netwerken.” Andréa Klaeijsen, ECBO.

“Wat je als docent kunt doen, is voorbeeldgedrag tonen, nieuwe werkvormen uitproberen en –niet vergeten- feedback te geven. Probeer het uit: FAIL staat voor first attempt in learning!” Andrea Klaeijsen, ECBO

Als professional, als burger en als persoon leven de studenten in een online wereld. Ze hebben te leren om bewust, kritisch en actief met informatie en kennis om te gaan. Zoeken, filteren en beoordelen wat waar is en niet waar.” Patrick Koning, Koning Willem 1 College.

“Online lezen, online spreken en online schrijven zouden in het curriculum moeten worden opgenomen als digitale geletterdheid. Nederlands is digitale geletterdheid. Het gaat om het maken van video’s, blogs, fotocollages, infographics. Maar ook om het online reageren op posts, welk beeld manifesteer je online van jezelf?” Jeroen Clemens

De 21e eeuwse vaardigheden die nodig zijn voor de beroepen van de toekomst, zijn te herleiden tot twee: informatievaardigheden en informatiemanagement (naar: Paul Kirschner, 2017, OU)

In de workshops waren nog aanvullende praktische tips, zoals de boeken Kleppen Dicht, Digitaal en de site Mediawijsheid van Kennisnet. En ja, deze blog had beter een youtube-filmpje kunnen zijn, een online presentatie of een vlog: Beeld heeft de toekomst. Volgende keer beter.
Dank Tiba en Inge!

Lilian Boonstra
September 2017

MBO Taalconferentie ‘de kwaliteit van feedback’

januari 21, 2017

Waarom stoor je mijn gesprek met jouw les?

Op 20 januari kwam een honderdtal MBO-docenten Nederlands uit het hele land naar Amersfoort, voor de taalconferentie van de MBO Taalacademie. Het onderwerp: de kwaliteit van feedback. Interessante sprekers uit de wetenschap en de praktijk deelden de nieuwste inzichten over feedback (Paul Kirschner),  formatieve toetsing (Kim Schildkamp), randvoorwaarden voor effectieve feedback bij adolescenten (Ingrid van Essen), instrumenten voor feedback (Jan Strybol), peerfeedback (Frank Evers) en zelfevaluatie. Hattie was voor veel van deze sprekers een belangrijke bron.

Wat neem ik mee voor mijn lessen?

Van Paul Kirschner over effectieve, efficiënte en bevredigende terugkoppeling, kan dat?

  • Wat het verschil is tussen single loop (correctief: wat was er fout?), double loop (directief: hoe kan het beter?) en triple loop (epistemisch: waarom, wie, wat, waar, wanneer en hoe). Dit laatste heeft de voorkeur, want deze vragen zetten aan tot nadenken en zetten het hoofd op AAN.
  • Geef je in je feedback ruimte en tijd aan vergelijking en verwerking: wat wordt er gedaan met je terugkoppeling?
  • Geef de feedback zo snel mogelijk, gedurende de eenheid, in hoofdpunten, wat correct is en incorrect en alleen schriftelijk en mondeling.

Van Kim Schildkamp over feedback middels formatief toetsen, randvoorwaarden en handvatten.

  • Over het Assessment for Learning van Black & Wiliam leren we dat formatief feedback gegeven kan worden als van tevoren gezamenlijke leerdoelen en succescriteria door de groep met de docent zijn bepaald. Door informatie te verzamelen, met inzet van peer assessment en self assessment.
  • De student, de medestudent en de docent hebben allemaal een rol en verantwoordelijkheid
  • Niet voor iedereen is feedback plezierig en feedback kan ook een tegengesteld effectoetsrevt hebben. Tip is dan om vooral positieve feedback te geven over wat iemand wel weet, kan of goed doet.
  • Feedback geven op iemand zelf, beklijft niet en heeft geen leereffect (jij bent fantastisch).
  • Het opsteken van vingers levert altijd 25 procent dezelfde vingers op. De verlegen mensen doen niet mee. De mensen die het al weten, willen anderen een kans geven. De derde groep is bang een verkeerd antwoord te geven en uitgelachen te worden. IJsstokjes kunnen uitkomst bieden in combinatie met zelfregulatie en goede feedback.
  • Een nieuw boek over formatief toetsen is Toetsrevolutie.nl.

Ingrid van Essen gaf uit haar praktijk en leven invulling aan het ARC-model. Als docent ben je een rolmodel. Adolescenten zijn met hun identiteit bezig. Wat ze laten zien is het topje van de ijsberg. Hun imago is belangrijk. Wat ze voelen, wat hun kwaliteiten zijn en wie ze echt zijn laten ze in de klas vaak niet zien. Authenticiteit en echt contact zijn de basis. Ook voor het ontvangen en geven van feedback.

Jan Strybol gaf het inzicht dat we vooral feedback geven op het niveau van besef: weet jij wel wat je fout doet? Hij adviseert om feedback te koppelen aan de motivatie van de student en de klas. Het tool menti.nl is een mooie manier om met wordles in kaart te brengen wat motivaties in een groep zijn. Handig waren zijn tips om te differentiëren met geeltjes met opdrachten, challenges en superchallenges. Leerlingen pakken een geeltje met een opdracht op hun eigen niveau en schrijven het antwoord en hun naam achterop. Vervolgens hangen ze de opdracht terug, zodat een andere leerling de opdracht kan maken. Ze vergelijken hun antwoorden met elkaar en discussieren hoe ze aan het antwoord zijn gekomen.

Feedback te geven op schrijfproducten kan het best met verschillende kleuren markers: met rood (dat had je al moeten weten/kunnen), geel (dat vraagt nu om aandacht) en blauw (niet goed, maar nog niet aan de orde). Hij begint in het rose en een geluidsfragment met positieve feedback (screencast-o-matic).

Frank van Essen gaf een vlammend verhaal over het leren met peerfeedback, ook met inzet van MOOC en andere tools, zoals Peerscolar. Zonder tussenkomst van de docent kunnen leerlingen veel van elkaar leren, zelfs door te spieken!

Dank organisatoren: het is jullie weer gelukt om een betekenisvolle dag met inhoud en netwerken te faciliteren.

Lilian Boonstra

21 januari 2017

 

 

 

Manifest voor MBO-studenten!

december 14, 2016

Beste MBO-student,

Wat voor docent kan ik het beste voor je zijn? Hoe kan ik het je mogelijk maken dat je straks een vakmens bent, die stevig in de schoenen staat? Die weet waar je goed in bent, wat je wilt en ook weet hoe je dat voor elkaar kunt krijgen? Hoe kan ik je bewust maken hoe je een netwerk bouwt om een leven lang te kunnen leren en een plek kunt vinden waar je vakmanschap duurzaam van betekenis kan zijn?

Bij de Avans Deeltijdacademie is vorig jaar een onderzoek geweest onder studenten welk onderwijs ze nodig hebben. Dat blijkt onderling nogal te verschillen, afhankelijk van voorkennis, motivatie en leerstijlen. Alleen een palet aan docenten blijkt de student tot wasdom te kunnen laten komen: de praktijkman, de theorievrouw, de regelaar en de coach…

Een manifest voor MBO-docenten?

Een manifest lijkt een manifestatie van aandacht voor een ondergewaardeerde sector. Aandacht is fijn, maar wat is het nut van het roepen wat we nu nodig hebben als docent? Het voelt als een wensenlijst voor de kerstman. Welke pakjes zijn volgend jaar nog van waarde? Beter dan te vragen naar de wensen van docenten, zou ik die van studenten willen weten: welke docenten hebben de MBO-studenten nodig? Wat willen ze kunnen en hoe leren ze dat?

Wat kunnen de MBO-docenten leren en samen doen, met partners in de regio, collega’s in het binnen- of buitenland, om toekomstbestendig professionals op te leiden binnen of buiten de muren van de school? Als in de nabije toekomst wordt gewerkt en geleerd in duurzame sociale leergemeenschappen, dan wens ik onszelf visie, lef en daadkracht om over regels en systemen heen te stappen en nieuwe piketpalen te slaan. Te luisteren waar de behoefte ligt, om de weg naar volwaardig vakmanschap te plaveien.

Lilian Boonstra

14 december 2016